|
Tudart-a
Tudart-a d ijen webrid
ntekk nâeddu
tudart-a d ijen webrid ghas aneggar ghas beddu
tudart-a d ijen wejdîd war yettîw d amêhtedju
ad isûd ûsemmîd uca d-yebda t-yessendu
tejjanegh tudart ntazzer
awarn-as
mârrâ wenni yezzanrb wenni tqadayas
maca wenni yewran
yewy-it rebhâr
tudart-a d ijen rebhâr
mârrâ ttisarfin
wenni yessnen aftâh ad yenjem i txecfin
wenni war yessinen
yewy-it rebhâr
tudart-a d ijen teftic tarq tqêttâ
neccin d ifarttûten nqabrit nhêtta
tudart-a ttyarja mârrâ netmetta
mârrâ wenni ilehfen xa xas d arren akentyar.
|
Dit leven
Dit leven is een weg,
eenieder komt en gaat voorbij.
Dit leven is een weg die aanvangt en ten einde loopt.
Dit leven is een vogel, gewond en vleugellam.
De stormwind zal razen en hem teisteren!
Het leven laat ons
achter haar aan hollen.
Wie voorop rent,
Hij is geslaagd.
Maar wie achteraan holt,
Hij wordt meegevoerd door de vloed.
Dit leven is een zee
met draaikolken alom.
Wie kan zwemmen,
Kan aan haar valstrikken ontkomen.
Wie niet zwemmen kan,
Wordt door de maalstroom meegesleurd.
Dit leven is een lampepit,
Al brandend teert zij weg.
Wij zijn de nachtvlinders
Die fladderen rond de lamp.
Dit leven is niet
meer dan een droom,
Wij zullen allen sterven.
Een grafsteen is
Wat de hebzuchtigen hebben
Op het eind
De oorspronkelijke
tekst met een Nederlandse vertaling van Roel Otten
|